Door Josiane Tytens in Kerkbrief, Gent Centrum
Op 25 oktober 1859 werd in de Amsterdamse protestantse familie Swarth, Hélène geboren, als jongste van 9 kinderen. Haar vader, van Zweedse afkomst, was er koopman en consul van Portugal. Hélène kreeg samen met haar zusjes thuisonderwijs. In 1865 verhuisde het kroostrijke gezin naar Brussel, waar haar vader een aanstelling kreeg als bankier.
Haar moeder bleef worstelen met heimwee naar Amsterdam, waardoor na enkele jaren, Brussel werd ingeruild voor Amsterdam (wat Hélène zag als een verbanning naar een stad waar ze niet gelukkig kon zijn). Maar in 1871 verhuisde de familie opnieuw naar Brussel, nadat haar vader vennoot werd bij de grootbank Lagrand-Dumonceau. Hélène kreeg er in een katholieke privé-kostschool een Frans-georiënteerde opvoeding. Die opvoeding verliep grillig: een katholieke gouvernante, een calvinistische school, een katholieke school, daarna catechisatie… Dit zorgde voor een zekere vervreemding met haar klasgenoten.
Op 17-jarige leeftijd werd Hélène verliefd op haar buurjongen Max Waller. De twee families verzetten zich tegen de verbintenis wegens het godsdienstverschil. Twee jaar later scheidden hun wegen, wat Hélène een eeuwigdurende liefdesontgoocheling bezorgde. Tien jaar later overleed Waller, negenentwintig jaar oud. Hélène Swarth betreurde ‘de blonde liefste van haar jeugd’ in de bundel doodslyriek Rouwviolen (1889).
Tijdens de Brusselse periode was de familie lid van de gemeente van de protestantse kerk in de Museumstraat. Lange tijd weigerede Hélène belijdenis te doen, toch moest ze catechisatie volgen bij ds. Rochedieu, een vriend van de familie. Haar oudere broer maande haar aan haar ‘koppigheid’ te laten varen, wat ze uiteindelijk ook deed. In het kerkregister lezen we dat ds. Rochedieu het huwelijk van haar zus Jeanne bevestigde in 1886. Een jaar daarvoor vinden we de naam Hilda Swarth, een andere zus, die op 29-jarige leeftijd overleed aan tuberculose. Na een bezoek aan haar graf, schreef Hélène het volgende gedicht:
Op ’t landlijk kerkhof staat een beeld van steen
Een Christus, reuzig op zijn Golgotha,
Titanisch lijdend, op zijn rots alleen.
O Christus, schenk mijn dode en mij genâ,
En op uw rots, als op een hoogaltaar
Leg ik de bloemen die ik bracht voor haar
In 1879 debuteerde Hélène met de in Parijs verschenen bundel Fleurs du rêve. Zij correspondeerde regelmatig met de Vlaamse dichter Pol de Mont, haar grote voorbeeld en inspirator, die haar overtuigde om in haar moedertaal te schrijven. Hij noemde haar ‘mijn Lovelingtje’. Meteen na haar Nederlandstalig debuut in 1883 (bundel Eenzame bloemen) werd Hélène Swarth de hemel in geprezen door Frederik van Eeden en Willem Kloos die haar zelfs ‘het zingende Hart in onze letterkunde’ noemden. Haar gedichten werden vanaf 1885 gepubliceerd in De Nieuwe Gids, een tijdschrift waarrond de Tachtigers, de grote poëzievernieuwers, zich in deze periode verzamelden.
Na een ophefmakend faillissement van de bank Lagrand-Dumonceau in november 1884 verhuisde de familie noodgedwongen naar Mechelen. Daar voelde Hélène zich mede door de financiële achteruitgang van het gezin niet zo gelukkig. In één van haar brieven schrijft ze ‘Ik leef hier buiten alle letterkundig verkeer, in een stil en doods stadje, vol klank van kloosterklokken. Dat ik mij niet gelukkig voel kunt ge lezen in mijn verzen.’ In de Mechelse periode sloot de familie zich aan bij de protestantse gemeente Mechelen Noord.
De dichteres beleefde, na de dood van Waller, nog twee pijnlijke liefdesgeschiedenissen. In 1890 had ze een wankele verloving met Wolfgang van der Mey, literator voor het tijdschrift Spectator, maar na minder dan een jaar verbrak hij de verloving.
Op 2 augustus 1893 verloofde Hélène zich met Frits Lapidoth, geboren in Ursem (Noord-Holland), domineeszoon, kunstcriticus, journalist en correspondent in Parijs. Het huwelijk werd op 27 februari 1894 voltrokken in de Nederlandse Hervormde Kerk in Den Haag waar het echtpaar zich ook vestigde. ‘Dan eindigt haar lidmaatschap van onze gemeente’, noteert ds. S.H. Fuite in zijn boek ‘In een straat genaamd de rechte’, de geschiedenis over de gemeente Mechelen Noord. Hoewel ze steeds naar een huwelijk had gesmacht was Hélène diep teleurgesteld in Frits ‘niet alleen in de ontrouw zelf, maar ook in de beschamende en grievende wijze waarop dit gebeurde’. Na talloze affaires gaat Lapidoth er in 1910 definitief vandoor met een andere vrouw en werd het huwelijk ontbonden. Een doodgeboren kind maakte de hele geschiedenis nog tragischer. Hélène is nooit meer opnieuw getrouwd.
In 1892 besloot de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde vrouwen toe te laten als lid. Het jaar daarop aanvaardden 13 ‘talentvolle vrouwen’, onder wie Hélène Swarth, hun aanstelling,
Hélène vertaalde ook (kerk)liederen en maakte berijmingen voor Psalmen en Gezangen. Een twintigtal van haar vertalingen werd opgenomen in de bundel Oude en Nieuwe Zangen (Rotterdam 1911) van S.M. van Woensel Kooy. In de ‘Hervormde Bundel 1938’ staan twee vertalingen van haar: ‘Ik zeg het allen dat Hij leeft’ (Duitse teks), Gezang 64 – vergelijk Liedboek 642 en het bekendste namelijk Lied 444 ‘Grote God, wij loven U’ (meer info: https://www.liedboekcompendium.nl/lied/413-grote-god-wij-loven-u-3_8_6 )
Heer, ontferm U over ons!
Doe Uw vaderarmen open,
Stort Uw zegen over ons,
Zooals wij in deemoed hopen.
Gij alleen blijft trouw bestaan.
Laat ons niet verloren gaan!
Van 1921 tot 1939 woonde Hélène afwisselend in Velp en in Den Haag, waar ze door de stad met een jaargeld werd ondersteund. Bij haar 70e verjaardag werd zij benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op haar 80e verhuisde ze definitief naar een pension in Velp waar ze leefde ‘als een lieve, rustige dame, erg eenvoudig’. Op 18 juni 1941 maakte Hélène nog een wandelingetje, maar werd later die avond onwel en overleed 3 dagen later. Ze werd begraven op de (in hoofdzaak) protestantse begraafplaats ‘Heiderust’ van Worth-Reden.
In recensies wordt vaak ‘de sublimatie van haar zielsverdriet’ als steeds terugkerend onderwerp in haar werk genoemd. Ze schreef gedragen, weemoedige verzen, zoekend en twijfelend. Haar sonnetten lopen over van onvervuld verlangen, troost zoekend in de natuur. ‘Natuur is God, God is liefde’, zo schreef ze. Swarth was een eigenzinnig talent, ze bleef volharden in haar eigen stijl, ook al verloor die steeds meer de grip op de tijd. Ze hield zich afzijdig van alles en iedereen, tot alles en iedereen zich tot slot ook afzijdig hield van haar. Ze was één van de meest gelezen dichteressen. Wie van een scheut tragiek houdt, moet Hélène dringend (her)ontdekken.
In 1927 schreef Hélène aan een vriendin over haar hunkering naar God: ‘voor mij is en blijft Christus de vereerde en teeder geliefde Meester, zoals ge in tal van verzen lezen kunt, maar deze edele geloofsheld kan voor mij niet dezelfde betekenis hebben, als voor hen die een God in Hem aanbidden. Misschien kom ik daar ook nog toe. Het lijkt mij zoo benijdbaar’. Het onvervuld Godsverlangen bleef.
Smeek God, dat zegen op mijn hoofd moog dalen,
En nimmermeer zal ik mijn lot vervloeken.
Foto genomen uit het boek: Hélène Swarths Zuidnederlandse jaren – Herman Liebaers

